ilseoppad.reismee.nl

Utrecht - Mascali

De stemming kwam er steeds meer in gedurende de autorit op de eerste dag, en tegen de tijd dat ik ’s avonds een prachtig Zwiterserland binnenreed, zat ik, vals, een liedje te fluiten. In een dorp beland voor de overnachting. Ze hadden in dat dorp een werkelijk enorm kerkhof, op z’n Zwitsers netjes aangeharkt en ieder graf beplant met minstens vier soorten enthousiast bloeiende bloemen. De helft van dat gigantische kerkhof was nog leeg, nette grasvelden, wachtend om de doden te ontvangen. Hoe lieflijk ook met al die bloemetjes in de ondergaande zon, die wachtende grasvelden gaven een luguber tintje aan het geheel. Stond hier de totale babyboom-generatie op het punt het loodje te leggen? Waarde er een enge ziekte door het dorp? Of had men hier slechts de grieppandemie te serieus genomen? Was het niet meer dan een nieuwe en jonge begraafplaatsbaas die net als Franse presidenten een groot bouwwerk op zijn naam zette om tot in de eeuwigheid herinnerd te worden? Zal er nooit achterkomen want ik moest weer door.

De volgende ochtend reed ik weg met de zon op besneeuwde bergtoppen die uit de ochtendmist staken. Jason Mraz op de iPod – hij is van Hawaii, en was dus ook vrolijk. Kortom, Jason en ik hadden het gezellig in de auto. Tunnel door de bergen en aan de andere kant kwamen we uit in Italie. De wegen waren vol, kapot, rommelig, en het regende. Jason trok zich mokkend terug en wilde niet meer verder zingen. Ik reed stug door, door onophoudelijke regen, en maakte mij de Italiaanse ongeschreven verkeersregels eigen:

  • Je rijdt zoveel mogelijk op de linkerrijbaan. De rechterrijbaan is voor vrachtauto’s en losers. Rijd je niet zo hard (want genoeg Italianen rijden gewoon braaf en tergend langzaam), dan ga je toch op de linkerrijbaan rijden, want je bent geen loser.
  • Ook al is de rechterrijbaan leeg, je gaat toch allemaal op de linkerrijbaan rijden.
  • Heb je een grote auto, Mercedes of Audi het liefst, dan rijd je heel hard (en als ik al zeg dat dat hard is, nou, dan is dat best hard).
  • Heb je een grote auto en rij je dus hard, en links, dan ga je al van verre met je groot licht knipperen om aan te geven dat je er langs wilt, en wel direct, en dat iedereen van jouw linkerrijbaan op moet tiefen.
  • Doen die langzame lieden dat niet (en 140 km per uur is nog steeds langzaam), dan ga je bumperkleven, waarbij je doet alsof je de ander van de weg wilt drukken. En niet vergeten om nog agressiever met je grootlicht te knipperen.
  • Gaan die lieden dan nog niet opzij, dan ga je er gewoon rechts langs. Zijn er drie rijbanen, dan ga je er rechts langs via de uiterst rechtse rijbaan, en voeg je daarna over twee banen weer in op de meest linkse.
  • Hopla, en je kunt weer verder.
  • Dit alles geldt tot aan Napels, daarna rijdt iedereen weer braaf rechts. Nee, snap ik ook niets van.

En toen was ik dus ’s avonds al bij Napels. Maar ik heb natuurlijk niet zo gereden als hierboven.

Echt niet.

Dag drie: nog 500km rijden, bootje, weer stukkie rijden op Sicilie, het campinggedoe gedaan in een klein dorpje, Mascali, en nu had ik jullie graag verteld dat ik voor mijn nieuwe tent op mijn nieuwe stoel in de zon aan een wijntje zat. Maar het regent pijpenstelen en ik lig in mijn slaapzak want het is koud (en vind mijzelf daarbij best zielig). Voor morgen laat op de dag is beter weer voorspeld, dus dat wijntje in de stoel voor de tent gaat er komen.

Bijna

Dit:

Moet in dit:

Eh...?

Ik weet nog niet hoe, maar als mijn spullen en ik straks te Italie zijn geraakt, verschijn ik in ieder geval in de juiste campingoutfit:

Glimmend paars en oranje, ja. Van je vrienden moet je het maar hebben.

Oh, en mijn eigen groene gras heb ik ook bij me, dus het gaat goedkomen met dat kampeergebeuren:

GROOT !

Tokyo is groot. En indrukwekkend. En heel gaaf. We staan op de 69e verdieping van een gebouw om de stad van 30 miljoen te bekijken – stad in alle richtingen zover je kunt kijken. En die stad van 30 miljoen is geordend, schoon, vriendelijk en loopt als een zonnetje. Het gigantische metrostation van Tokyo Centraal is een stad onder de stad. We bezoeken een park-tuin en zijn onder de indruk van het mooiste park dat we ooit hebben gezien (wat best bijzonder is voor reissnobs zoals wij). We liggen samen met kuddes bejaarden en moeders met kleine kinderen onder de kersenbloesem in een ander prachtig park en zeggen ooh en aah en vinden het echt mooi. We gaan los in de wijk (ja, een hele wijk) met kookwinkels en worden heel erg hebberig. We liggen nog een paar keer in het badhuis, doen nog eens een hotelpakje aan, en besluiten in de toekomst nog eens terug te komen in Tokyo.

Een bekende kruising in Tokyo, ik heb een filmpje op YouTube gezet: http://www.youtube.com/watch?v=lxZt7C29l90

En dan het uiterlijk van de Japanners. De petiterige mensjes lopen er verfijnd bij, met nette elegante kleertjes en hoge hakjes en nette tasjes. De jeugd hier is de ver overtreffende trap van hip. De meisjes halen alles uit de kast: hele hoge hakken in alle kleuren van de regenboog, indien gewenst met strikjes, roze pompoenen of ruches. Heeeele korte rokjes met ruches tot net over de billen; roze is goed, zwart tule, wit kant ook. Leggings eronder, en dan een berg accessoires. Strikjes. Korte broekjes en dan blote benen met slobkousen en naaldhakken eronder, bij vijf graden boven nul. Mickey Mouse oortjes op het hoofd. Haarstukken totdat het haar eruit ziet als dat van Barbie. Er is hier ook een kledingwinkel die Barbie heet – I rest my case. En dit zijn de meisjes die gewoon hip gekleed gaan. Het kan nog extremer: de gothic barbies van Harajuku (google maar eens op Harajuku girls).

En als je denkt dat de meisjes er apart uit zien, nee, dan de jongens. Geblondeerd haar, deels stijl en deels in de krul (ja, in hetzelfde kapsel). Gedrapeerde vestjes, drie lagen over elkaar. Lange rokken en schorten tot op hun schoenen. Niet alleen in zwart, maar wit kant kan ook. Beenwarmers. Slobkousen. Handtassen, en niet alleen in discreet zwart, maar lakwit hebben we ook gezien, en het liefst met studs en andere glimmers erop. En als je dan denkt dat dit de homo’s zijn? Neen, dit zijn hetero jongens met een vriendin. En wat dan wel de homo’s zijn? Die zijn tussen deze mannen niet te spotten, ook de gaydar van Bas en Arjen slaat niet aan.

Wij lange Hollanders met onze ski-jacks, spijkerbroeken en wandelschoenen lijken in vergelijking met deze mensen een stel Neanderthalers uit het oerbos. Ik vrees dat ze ons ook zo zien. Arjen en Bas worden geen blik waardig gekeurd. En ik? Tja, wat zal ik zeggen, ik werd in een lift, met de jongens pal naast me, versierd door een stel Japanse meiden. “ You have such beautiful eeeeeeyes!” “Are you 37 ?? Nooooooo!”. De jongens noemen mij sindsdien Dyke-san.

Zomaar wat

Na het mooie natuurgebied Bandai-San (ja, Japan heeft natuurlijk toch mooie gebieden!) even tijd voor wat japanserigheden:

De toiletbrillen in Japan zijn verwarmd. En als ze geen afstandbediening hebben (waarvan wij de werking niet begrijpen), hebben ze in ieder geval een stuk of wat elektronische knopjes voor sproeiers in allerlei standen enzo.

Ze hebben hier groene Kitkat in groene-thee-kersenbloesemsmaak. En vacuüm verpakte maden in saus.

Je mag luidruchtig je noedels naar binnen slurpen, maar je mag niet je eetstokjes op je bord laten liggen, want dat is onbeleefd.

Het cherry blossom tv-kanaal zendt non-stop beelden uit van, jawel, de kersenbloesem.

Het ielige meisje van de receptie staat erop onze drie grote en drie kleine rugzakken persoonlijk weg te dragen, waar wij grote sterke buitenlanders naast staan. En dan buigt ze ook nog voor ons.

Ze houden hier van kleine vierkante autootjes. Ik vind ze geinig. In de politieauto zaten de agenten met een hellempie op. Zou ik ook doen in zo’n autootje.

Het laatste avondmaal

Na lang aarzelen zijn we toch het binnenland van Noord-Honsu binnengetrokken. Aarzeling vanwege de reistijd en verbindingen. Niet dat het allemaal zo ver weg is, maar omdat je drie keer moet overstappen op lokale boemeltjes en dan nog een bus moet nemen. Maar we zetten uiteindelijk onze randstedelijke gemakzucht opzij en trekken het boeren-bergland in. Over de leemhutten zijn jullie reeds ingelicht. Nu het uiteindelijke doel van dit avontuur, het berggebied Bandai-San (waarbij san niet alleen het woord is voor meneer en voor drie, maar ook voor een hoge berg).

Tijdens de laatste boemel begon de sneeuwdichtheid al hoog te worden. We nemen een bus de bergen in en de sneeuw begint zich op te hogen tot bergen van soms nog wel twee meter hoog. Het is begin april. Daar hadden we niet op gerekend. Nog enigszins naïef stappen we de bus uit en informeren bij het eerste het beste huis dat eruit ziet als een hotel. Dicht. Dan op naar het dure hotel dat wel in de gids staat. Ook dicht. Maar men is zo vriendelijk ons te verwijzen naar het enige hotel van de 50 dat wel open is, met de omineuze titel Uraibanda Royal Hotel. Let op het middelste woord. We hadden het al uit de bus gezien. De eerste indruk is vader Stalin. Driehonderd strekkende meter in drie van de vier windrichtingen, slechts vier verdiepingen hoog, in alle opzichten grijs en rechthoekig, voor het eigenlijke hotel een parkeerplaats die groot genoeg is voor de bussen van de communistische jeugdinternationale de dato 1930. Binnen ontvouwt zich een lobby van 100 bij 40 meter (dit is geen retorische overdrijving). Men lijkt enigszins verrast door het onaangekondigde bezoek, maar weet ons soepel onder te brengen in twee kamers van 40 vierkante meter. Kortom, erg groot en erg imposant, maar intussen wel vervallen. De banken in onze suites zijn vervallen, de lampen zijn gedateerd en de eindeloze gangen komen eerder indrukwekkend over dan gastvrij.

’s Avonds bij het diner wordt ons meer duidelijk. De enorme dinerzaal is op enkele tafels na onbezet. Voor de rest een enkel verdwaald gezin en vooral oudere stellen. Het diner is overdadig en heerlijk en wekt de indruk van een laatste maaltijd voor het definitieve heengaan vanwege ouderdomskwalen. De volgende morgen wordt dat bij het ontbijt nog eens herhaald. Vol van het besef van eindigheid verlaten we het oord weer voor meer levendige steden. O ja, de wandelpaden waren vanwege sneeuwval geblokkeerd.

Arjen

Lowlight

Na heel veel tempelmeuk in een prachtig bos met bomen tot in de hemel in het dorp Nikko, hebben we het ‘lowlight’ van onze reis bereikt: het deprimerende provinciestadje Aizuwakamatsu met bijbehorend monumentendorp Kitakata. De Lonely Planet had het over 2600 monumentale, gekleurde huizen van leem in dat dorp, gooide er een mooi citaat tegenaan en besteedde er toch wel een halve pagina aan. Daar moesten we zijn!

Tussen de reeds bekende lelijke verschijningsvormen van de Japanse stedenbouw moesten we goed zoeken naar de leemhuizen. Ze bleken schuil te gaan achter tegen de muren aan getimmerde golfplaten. De kleur waar de gids het enthousiast over had bleek van de golfplaten te komen. De golfplaten leken overigens wel nodig te zijn om de huizen nog een beetje overeind te houden: ze verkeerden in verregaande staat van ontbinding. De regen viel onophoudelijk naar beneden. Er was nauwelijks iemand op straat. Er stonden huizen leeg. De helft van de winkels was dicht. De winkels die wel open waren, werden gerund door schuifelende bejaarden die blijkbaar moesten doorwerken tot de dood hen verloste, geen discussie over de AOW-leeftijd hier. Ik had mijn handschoenen aan tegen de kou. Grote Reisleider Arjen-san liep voorop met de kaart, zijn kaart werd nat van de regen.

De dag werd gered door onze positieve levensinstelling (?), en de diverse sake-momenten gedurende de dag, inclusief sake-brouwerij. En zo werd het toch nog een leuke dag.

Mooi Japan?

Als je aan Japan denkt, denk je toch aan mooi. Stijlvol, artistiek verantwoord en interessant architectonisch, enzo? Da’s dus nie hè! Binnen in hotels en restaurants ziet het er wel goed uit, maar buiten is het tot nu toe vooral een aaneenschakeling van lelijkheid. Al het beschikbare land (dat wat geen berg is), is volgeplempt met een eindeloze zee van lelijke gebouwen, goedkoop gebouwde huizen, tuinen met rotzooi erin, rijstveldjes (die in deze tijd van het jaar kaal zijn), wegen, treinrails en bovengrondse elektriciteitskabels.

Je moet best goed zoeken naar iets moois. Gelukkig wel te vinden met behulp van de Lonely Planet, bijvoorbeeld de eilandjes bij de stad Sendai. Minimaatje fietsjes gehuurd en daarmee lekker een eiland overgecrosst, nagekeken door de plaatselijke boerenbevolking die duidelijk gebaat zou zijn bij iets meer genetische variatie.

Tussen de prefab-bouw en het beton heb ik wel een mooi houten huis voor je gevonden, Gerald. Vrijstaande villa met vrij uitzicht aan alle zijden, grote tuin, dubbele voordeur, design zonneschermen en rechtstreekse aansluiting op het elektriciteitsnet:

Zen and the art of travelling

Tijdens ons verblijf hier streven wij naar de verdere ontwikkeling van onze reiskunsten. Na het vertrek uit het skioord ’s morgens schroefden we daarom het tempo nog iets verder op: die dag hebben we nog twee steden aangedaan en een stuk of vijf boeddhistische tempels bezocht. En, eh, Zen-ervaring, maar dan anders.

’s Avonds waren we zo moe dat we toch maar besloten het iets rustiger aan te gaan doen. Zen zoals het bedoeld is? Leven in het Nu?

Ons hotelpakje was ‘m dit keer niet helemaal, een soort kruising tussen een djellaba en een schoonmakersschort: